De Kennisgroep dividendbelasting en bronbelasting oordeelt samen met de Kennisgroep IBR VPB & winst dat een dividenduitkering van een Nederlandse BV aan haar in een EU-lidstaat gevestigde houdstermaatschappij onder de inhoudingsvrijstelling kan vallen. Hoewel de tussenhoudster tot een lager percentage aan Nederlandse dividendbelasting leidt, is in casu volgens de kennisgroep geen sprake van misbruik.

Een in een EU-lidstaat gevestigde houdstermaatschappij houdt alle aandelen in de Nederlandse X BV, die een materiële onderneming drijft. De houdster verricht via haar in de EU-lidstaat woonachtige bestuurder daadwerkelijk strategische, bestuurlijke en financiële werkzaamheden, houdt toezicht op X BV en ontvangt daarvoor zakelijke vergoedingen.

Volgens de kennisgroep is weliswaar voldaan aan de zogenoemde subjectieve voorwaarde voor misbruik, omdat zonder de tussenhoudster meer dividendbelasting verschuldigd zou zijn. Doorslaggevend is echter dat de structuur berust op zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen. De houdster vervult een reële functie en kan niet worden aangemerkt als een kunstmatige doorstroomvennootschap.

Alle feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien, wijzen daarom niet op misbruik. De inhoudingsvrijstelling van art. 4 Wet DB 1965 is van toepassing. Dat de vennootschap niet voldoet aan de substancedrempel van € 100.000 aan loonkosten, doet hier volgens de kennisgroep niet aan af omdat het lagere salaris zakelijk is.

Wetingang:

Wet op de dividendbelasting 1965 artikel 4

Uitvoeringsbeschikking dividendbelasting 1965 artikel 1BIS

[Nieuwsbron]

Rubriek: Dividendbelasting

Regelgevende instantie: Belastingdienst

Editie: 16 september

Informatiesoort: VN Vandaag

8

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen