X richt in 2005 Stichting A op, die enig aandeelhouder is van het naar Antilliaans recht opgerichte Y NV. Het geplaatste kapitaal bedraagt € 4607. In 2021 sluiten X en de inspecteur een VSO waarin zij overeenkomen dat de toerekeningsstop van art. 2.14a lid 7 Wet IB 2001 voor 2016 van toepassing is. Het vermogen in A wordt voor de IB-heffing toegerekend aan X. De inspecteur legt vervolgens IB-navorderingsaanslagen 2010 - 2016 op zonder toepassing van de toerekeningsstop. In 2022 schenkt A de aandelen Y NV aan X, waarna kapitaalterugbetaling plaatsvindt. De inspecteur legt de IB-aanslag 2022 op met een ab-inkomen van € 45,3 mln, uitgaande van een verkrijgingsprijs van € 4607. X verdedigt een verkrijgingsprijs van € 37,5 mln. Hij houdt daarbij rekening met een step up in verband met de waardestijging van de aandelen in de periode van januari 2010 - 20 september 2016.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat de verkrijgingsprijs van de aandelen Y NV € 4607 bedraagt. Volgens de rechtbank kan X bij de vaststelling van de verkrijgingsprijs geen gebruik maken van de step-up voor de waardestijging van de aandelen in periode van 1 januari 2010 - 20 september 2016. X voldoet namelijk niet aan de wettelijke voorwaarden. De rechtbank wijst er daarbij op dat de toerekeningsstop in de onherroepelijk vaststaande IB-navorderingsaanslagen 2010 - 2016 niet is toegepast en het vermogen van A aldus aan X is toegerekend. De VSO kan hieraan niet afdoen omdat de rechtbank moet uitgaan van de feiten. De rechtbank komt dan ook niet toe aan beoordeling van het geschil zoals partijen dat hebben gepoogd aan de rechtbank voor te leggen. De aanslag is niet tot een te hoog bedrag opgelegd.
Wetingang:
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 10A.7
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 2.14A
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 4.13
Instantie: Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Rubriek: Inkomstenbelasting, Dividendbelasting
Editie: 19 augustus
Informatiesoort: VN Vandaag