X exploiteert vanaf 1987 een garagebedrijf als eenmanszaak. Op 21 augustus 2017 ondertekent X een voorovereenkomst voor inbreng van de onderneming in een op te richten BV per 1 september 2017. De BV wordt op 26 februari 2018 opgericht en het ondernemingsvermogen wordt bij inbrengakte ingebracht. X sluit op 13 april 2018 een lijfrenteovereenkomst bij de BV voor een koopsom van € 374.004 in verband met een stakingswinst van € 704.296 en afname van de fiscale oudedagsreserve van € 46.434, ontstaan bij de ruisende inbreng. X BV verkoopt in juni 2018 het bedrijfsonroerend goed en huurt dit terug. De omzet van de BV halveert in 2019 en is daarna nihil. De rechtbank staat de premie-aftrek toe. X gaat in hoger beroep en claimt aanvullende premie-aftrek van € 76.627 wegens een hogere stakingswinst.
Hof Amsterdam komt, anders dan de rechtbank, tot het oordeel dat de door de inspecteur aangevoerde feiten en omstandigheden erop wijzen dat X de onderneming binnen afzienbare tijd wilde staken. De verkoop van het bedrijfsonroerend goed met terughuur biedt eerder steun aan het standpunt van de inspecteur dan aan dat van X. Daarnaast halveert de omzet na inbreng in de BV. Het hof wijst het verzoek om aanvullende premieaftrek af. Het incidenteel hoger beroep van de inspecteur tegen de reeds toegekende premieaftrek is te laat ingesteld. Daardoor blijft de door de rechtbank verleende premieaftrek van € 374.004 in stand. Het hoger beroep van X is ongegrond.
Wetingang:
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.126
Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 27E
Instantie: Hof Amsterdam
Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht, Inkomstenbelasting
Editie: 5 oktober
Informatiesoort: VN Vandaag