De vader van X houdt alle aandelen in X BV. X BV, een holding, houdt 34% van de aandelen in Y BV, die een onderneming drijft. De aandelen in X BV kwalificeren als fictieve onroerende zaken. Op 30 december 2019 schenkt de vader 10% van de aandelen aan zijn vier kinderen. De rest wordt in Stichting X ondergebracht. Een paar jaar later, op 12 december 2022, schenkt hij 90% van de certificaten van aandelen via de Stichting aan de vier kinderen, onder wie X. De kinderen doen een beroep op de bedrijfsopvolgingsvrijstelling voor de overdrachtsbelasting. In geschil is of de bedrijfsopvolgingsvrijstelling van toepassing is op de schenking van de certificaten, of X BV een materiële onderneming drijft en of aan de voortzettingsvoorwaarden is voldaan.
Rechtbank Noord-Holland oordeelt dat X BV door toerekening van de bezittingen, schulden en activiteiten van Y BV een materiële onderneming drijft. Bij deze toets neemt de rechtbank mede de toerekening van Y BV aan X BV in acht en kan niet uitsluitend naar de activiteiten van X BV zelf worden gekeken. Uit de wet noch de wetsgeschiedenis volgt een voorwaarde van volledige zeggenschap over de onderneming na de verkrijging. De wet vereist evenmin een overnameplan of een overdracht in fasen. De rechtbank vereenzelvigt de certificaten van aandelen met de aandelen nu het economische belang bij de certificaathouder berust. De rechtbank verklaart daarom het beroep gegrond en vermindert de naheffingsaanslag tot nihil.
Wetingang:
Wet op belastingen van rechtsverkeer artikel 2
Wet op belastingen van rechtsverkeer artikel 4
Wet op belastingen van rechtsverkeer artikel 15
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 4.17A
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 4.17C
Instantie: Rechtbank Noord-Holland
Rubriek: Belastingen van rechtsverkeer
Editie: 5 oktober
Informatiesoort: VN Vandaag