Rechtbank Noord-Holland oordeelt dat de samenloopvrijstelling niet van toepassing is op de verkrijging van aandelen in een onroerendezaakrechtspersoon die slechts economisch eigendom van percelen houdt, omdat niet aannemelijk is dat de onroerendezaakrechtspersoon kan beschikken alsof zij eigenaar is. Hierdoor is geen sprake van een met BTW-belaste levering of dienst.

Y BV en Z BV sluiten een samenwerkingsovereenkomst om gezamenlijk een datacenter te ontwikkelen op percelen grond. Y BV verkrijgt de juridische eigendom en erfpachtrechten van de percelen. Kosten en opbrengsten delen partijen gelijkelijk. Z BV verricht in het kader van de samenwerking handelingen gericht op ontwikkeling en verkoop van het project. De kolommenbalans van Z BV over 2021 toont als activum de waardering van de samenwerkingsovereenkomst ten bedrage van € 3.668.638 op een totaal van € 3.687.474 aan activa. X BV verkrijgt 100% van de aandelen in Z BV en doet aangifte overdrachtsbelasting met een beroep op de samenloopvrijstelling. In geschil is of Z BV kwalificeert als onroerendezaakrechtspersoon, of de maatstaf van heffing bij economisch eigendom nihil is en of de samenloopvrijstelling van toepassing is.

Rechtbank Noord-Holland oordeelt dat Z BV als onroerendezaakrechtspersoon kwalificeert, omdat zij gedurende de referentieperiode hoofdzakelijk handelingen verricht gericht op de ontwikkeling en verkoop van het project, waardoor wordt voldaan aan de doeleis. Daarbij merkt de rechtbank op dat economisch eigendom meetelt voor de doeleis op grond van art. 4 lid 2 Wet BRV 1970. De maatstaf van heffing is niet nihil, omdat uit de wetshistorie volgt dat de wetgever ook economisch eigendom binnen de heffingssfeer brengt. Het beroep van Z BV op de grammaticale interpretatie van de wet slaagt niet; de wetshistorische, wetssystematische en teleologische interpretatie van art. 10 Wet BRV 1970 prevaleert boven de grammaticale. De rechtbank oordeelt voorts dat de samenloopvrijstelling niet van toepassing is, omdat X BV niet aannemelijk maakt dat Z BV als eigenaar over de percelen kan beschikken, waardoor dus geen sprake is van een met BTW-belaste levering of dienst. De rechtbank verklaart het beroep daarom ongegrond.

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Wet op belastingen van rechtsverkeer artikel 2

Wet op belastingen van rechtsverkeer artikel 4

Wet op belastingen van rechtsverkeer artikel 15

Wet op belastingen van rechtsverkeer artikel 10

Wet op de omzetbelasting 1968 artikel 11

Instantie: Rechtbank Noord-Holland

Rubriek: Belastingen van rechtsverkeer

Editie: 23 september

Informatiesoort: VN Vandaag

10

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen