Rechtbank Noord-Nederland oordeelt dat de uitzendregeling niet herleeft nadat X de tijdens zijn uitzending verhuurde woning weer beschikbaar heeft voor eigen gebruik.

X is van 1 oktober 2019 tot 1 oktober 2023 door zijn werkgever uitgezonden naar Bonaire. X en zijn echtgenote zijn gezamenlijk eigenaar van een woning die hen voor de uitzending als hoofdverblijf ter beschikking stond. Tijdens de uitzending verhuren zij de woning aan derden van 14 september 2020 tot 16 augustus 2022. Daarna staat de woning ter beschikking voor eigen gebruik tot de terugkeer in 2023. In zijn aangifte IB/PVV 2022 neemt X voor de periode na de verhuur een eigenwoningforfait van € 1121 en aftrekbare rente van € 9530 in aanmerking. De inspecteur corrigeert de aangifte en merkt de woning voor heel 2022 niet aan als eigen woning in de zin van de uitzendregeling. X gaat in beroep.

Rechtbank Noord-Nederland oordeelt dat de uitzendregeling niet herleeft na afloop van de verhuur. Het woord "sindsdien" in art. 3.111 lid 6 Wet IB 2001 brengt mee dat de woning gedurende de gehele uitzendperiode niet aan derden ter beschikking mag zijn gesteld. De Hoge Raad bevestigt deze uitleg in zijn arrest van 20 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:355, V-N 2015/12.11. Het beroep op het evenredigheidsbeginsel slaagt niet, omdat de inspecteur bij de toepassing van de uitzendregeling geen beoordelingsruimte heeft voor een individuele belangenafweging. Het beroep is ongegrond.

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.111

Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 30FC

Instantie: Rechtbank Noord-Nederland

Rubriek: Inkomstenbelasting

Editie: 23 september

Informatiesoort: VN Vandaag

11

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen