In het I SA-arrest van 11 februari 2026 oordeelde het Gerecht (T 689/24, V-N 2026/12.14) dat het in strijd met het EU-recht is dat Polen de aftrek van BTW-voorbelasting niet toestaat aan I. SA voor facturen die zij weliswaar ontvangt vóór indiening van de aangifte, maar niet gedurende het belastingtijdvak. De eerste advocaat-generaal heeft op 4 maart 2026 een voorstel tot heroverweging gedaan. De A-G is namelijk van oordeel dat er een ernstig risico bestaat dat de eenheid of de samenhang van het recht van de EU wordt aangetast. Het Hof van Justitie (Kamer van heroverweging) beslist op 26 maart 2026 (C 167/26 RX, V-N 2026/19.13) dat het I SA-arrest moet worden heroverwogen. Het is de vraag of het I SA-arrest de eenheid of de samenhang van het recht van de EU aantast. Het Hof van Justitie wijst daarbij met name op zijn arresten Terra Baubedarf-Handel (C 152/02) en Aptiv Services Hungary (C 521/24, V-N 2026/15.12).
Advocaat-generaal Kokott concludeert dat het recht op aftrek van voorbelasting moet worden uitgeoefend wanneer de goederen zijn geleverd of de diensten zijn verricht en de belastingplichtige in het bezit is van de desbetreffende factuur. Het I SA-arrest van het Gerecht van 11 februari 2026 tast volgens de A-G dan de eenheid en de samenhang van het recht van de Unie aan. De Poolse regeling is niet in strijd met het EU-recht.
Wetingang:
Instantie: Hof van Justitie van de Europese Unie
Rubriek: Omzetbelasting, Europees belastingrecht
Editie: 23 september
Informatiesoort: VN Vandaag