X en haar echtgenoot kopen in 2012 een perceel grond met agrarische bestemming dat naast hun eigen woning gelegen is. De koop van het perceel is ingegeven door de wens van het echtpaar om het vrije uitzicht vanuit hun huidige woning te behouden. Later ontstaat de wens om op het perceel een nieuwe eigen woning te bouwen met daarbij een kleinere en een grote schuur. Zij winnen in 2018 advies in over de aankoop van een bouwcontingent en dienen in 2019 een principeverzoek in bij de gemeente voor de realisatie van burgerwoningen. In 2021 kopen zij twee bouwcontingenten en sluit de echtgenoot een anterieure overeenkomst met de gemeente. Het plan om een eigen woning met schuren te bouwen vervalt vanwege gestegen bouwkosten en persoonlijke wensen. X splitst het perceel kadastraal in drie delen en verkoopt er twee in 2022 aan derden. De inspecteur legt een naheffingsaanslag omzetbelasting inclusief rente- en boetebeschikkingen op over het tijdvak 2022. In geschil is of X ter zake van de levering van twee bouwterreinen handelt als ondernemer.
Rechtbank Den Haag oordeelt dat X ter zake van de levering van de twee bouwterreinen niet handelt als ondernemer voor de omzetbelasting. X maakt aannemelijk dat zij aanvankelijk een eigen woning met schuren op het perceel wil bouwen. De rechtbank rekent de handelingen tot het moment van de eerste verkoop aan als handelingen met het oog op die bouw. De inspecteur maakt onvoldoende aannemelijk dat X met het oog op de verkoop actief stappen onderneemt door middelen in te zetten vergelijkbaar met die van een fabrikant, handelaar of dienstverrichter. Ook het subsidiaire standpunt dat het perceel sinds 2012 in gebruik is voor economische activiteiten slaagt niet. X' beroep is gegrond. De rechtbank vermindert de naheffingsaanslag inclusief de rente- en de boetebeschikkingen.
Wetingang:
Wet op de omzetbelasting 1968 artikel 11
Wet op de omzetbelasting 1968 artikel 7
Instantie: Rechtbank Den Haag
Rubriek: Omzetbelasting
Editie: 5 november
Informatiesoort: VN Vandaag