Tot de financiële instrumenten behoren onder meer aandelen, obligaties, opties, futures, swaps en andere derivaten. Waardeontwikkelingen worden pas belast bij realisatie. Reguliere voordelen, zoals rente en dividend, blijven jaarlijks belast. Voor bestaande financiële instrumenten geldt de waarde in het economische verkeer op 1 januari 2029 als verkrijgingsprijs.
Banktegoeden, directe cryptobeleggingen, verzekeringsproducten, lijfrentes, vorderingen en schulden vallen per 1 januari 2029 tijdelijk onder de vermogensaanwasbelasting. Het kabinet verwacht deze vermogensbestanddelen vanaf 2030 eveneens onder de vermogenswinstbelasting te kunnen brengen. In 2028 blijft het huidige forfaitaire box 3-stelsel met tegenbewijs gelden.
Ter dekking wordt het maximumbedrag voor excessief lenen vanaf 2027 jaarlijks met € 80.000 verlaagd tot € 100.000 in 2031. Om dit enigszins te verzachten worden de box 2-tarieven voor 2027 tot en met 2030 tijdelijk verlaagd naar 23,5% en 29%.
De Raad van State acht het tijdelijke hybride stelsel kwetsbaar en adviseert pas in 2030 in één keer een volledige vermogenswinstbelasting in te voeren. Het kabinet volgt dit advies niet en kiest vanwege het gewenste eerdere afscheid van het huidige stelsel voor invoering per 2029.
Wetingang:
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 5.17
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 5.26
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 5.32
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 2.12
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 4.14A
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 4.14B
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 4.14C
[Nieuwsbron] [Nieuwsbron] [Nieuwsbron] [Nieuwsbron]
Rubriek: Inkomstenbelasting, Fiscale wetsvoorstellen, Fiscaal bestuurs(proces)recht
Regelgevende instantie: Staten-Generaal
Editie: 5 november
Informatiesoort: VN Vandaag