X heeft de Nederlandse nationaliteit, woont in Nederland en werkt bij het EOB. Hij is het niet eens met de IB-heffing over zijn box 3-inkomen. In zijn uitspraak van 29 oktober 2024 oordeelt Hof Den Haag (2023/00936, ECLI:NL:GHDHA:2024:2637, V-N 2025/16.1.5) dat X geen recht heeft op een belastingvrijstelling, omdat de Zetelovereenkomst expliciet bepaalt dat Nederlandse onderdanen en personen die duurzaam verblijf houden in Nederland, zoals X, geen privileges genieten. De Hoge Raad verklaart het daartegen ingestelde beroep in cassatie op 12 september 2025 (24/04450, ECLI:NL:HR:2025:1263, V-N 2025/14.16.1), onder verwijzing naar art. 80a Wet RO niet-ontvankelijk omdat het duidelijk niet kan slagen. X procedeert voor het jaar 2019 opnieuw en voert daarin dezelfde klachten aan als in de eerdere procedure.
Hof Den Haag oordeelt dat EOB’er X geen recht heeft op een belastingvrijstelling omdat de Zetelovereenkomst expliciet bepaalt dat Nederlandse onderdanen en personen die duurzaam verblijf houden in Nederland, zoals X, geen privileges genieten. Het hof verwijst daartoe naar zijn uitspraak van 29 oktober 2024. Wel voegt het hof ter toelichting voor X nog het een en ander toe. Zo gaat het hof in op het begrip ‘duurzaam verblijf houdend’ en merkt daarbij op dat de interpretatie van X op een onjuiste rechtsopvatting berust. Het beroep van X op het gelijkheids-, rechtzekerheids- en zorgvuldigheidsbeginsel wordt verworpen. Ook is het oordeel van de rechtbank volgens het hof voldoende gemotiveerd. Het hoger beroep is ongegrond.
Wetingang:
Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 39
Instantie: Hof Den Haag
Rubriek: Inkomstenbelasting, Internationaal belastingrecht
Editie: 4 november
Informatiesoort: VN Vandaag