X wordt door zijn Zwitserse werkgever A SA tewerkgesteld op schepen van de aan A SA gelieerde Zwitserse vennootschap B SA. Hij werkt in verschillende landen op diverse schepen, waaronder een schip dat speciaal is uitgerust voor het leggen van pijpleidingen op de zeebodem. In geschil is of X recht heeft op aftrek ter voorkoming van dubbele belasting op grond van art. 15 lid 3 Belastingverdrag Nederland - Zwitserland. X stelt dat hij zijn dienstbetrekking uitoefent aan boord van een schip dat in internationaal verkeer wordt geëxploiteerd.
Rechtbank Noord-Holland oordeelt dat X geen recht heeft op aftrek ter voorkoming van dubbele belasting omdat de schepen waarop hij werkt niet primair zijn bestemd voor commercieel internationaal personen- of goederenvervoer. X maakt dit volgens de rechtbank niet aannemelijk. Nederland heeft daarom het heffingsrecht over de inkomsten. De rechtbank verwijst daarbij naar het arrest HR 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1845, V-N 2022/2.9). Ook verwerpt de rechtbank het verzoek van X om de aanslagen te herzien en daarbij rekening te houden met de in de verschillende landen gewerkte dagen. Het ligt namelijk op de weg van X om een en ander aan te tonen. Het gelijk is aan de inspecteur.
Wetingang:
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.80
Instantie: Rechtbank Noord-Holland
Rubriek: Inkomstenbelasting, Europees belastingrecht
Editie: 3 november
Informatiesoort: VN Vandaag