Rechtbank Gelderland oordeelt dat de beslissing over de hoogte van de wettelijke handelsrente geen voor bezwaar vatbare beschikking is, omdat deze haar grondslag vindt in art. 6:119 BW en niet in de belastingwetgeving.

X gaat in beroep tegen de aanslag IB/PVV 2018. Partijen sluiten vervolgens een compromis. Op basis daarvan vermindert de inspecteur de aanslag met € 257 en vergoedt hij proceskosten van € 1436,24 en griffierecht van € 50, waarna X het beroep intrekt op 6 december 2023. De uitbetaling van de proceskostenvergoeding en het griffierecht vindt pas op 8 maart 2024 plaats. X verzoekt om wettelijke handelsrente wegens de te late betaling. De inspecteur kent € 17 aan wettelijke rente toe, maar verklaart het bezwaar tegen de hoogte daarvan niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van een voor bezwaar vatbare beschikking. In geschil is of de beslissing over de hoogte van de wettelijke handelsrente een voor bezwaar en beroep vatbare beschikking is.

Rechtbank Gelderland oordeelt dat in het belastingrecht een gesloten stelsel van rechtsmiddelen geldt. De vergoeding van wettelijke rente wegens niet-tijdige betaling van de proceskostenvergoeding en het griffierecht vindt haar grondslag in art. 6:119 BW en is niet gebaseerd op de belastingwetgeving. De beslissing van de inspecteur over de hoogte van de wettelijke handelsrente is daarom geen voor bezwaar en beroep vatbare beschikking. De inspecteur verklaart het bezwaar terecht niet-ontvankelijk. X dient zich tot de civiele rechter te wenden. X’ beroep is ongegrond.

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Burgerlijk Wetboek Boek 6 artikel 119

Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 26

Instantie: Rechtbank Gelderland

Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht

Editie: 3 november

Informatiesoort: VN Vandaag

9

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen