X wordt in 2020 strafrechtelijk veroordeeld voor het medeplegen van het witwassen van € 797.690 in contanten en het vervoeren van 9470 gram cocaïne in verborgen compartimenten in zijn bestelauto. Medeverdachte Y wordt veroordeeld voor het witwassen, maar vrijgesproken van betrokkenheid bij de cocaïne. X doet aangifte IB/PVV 2020 naar een belastbaar inkomen van nihil. Na het uitblijven van antwoorden op vragen over de herkomst van de contanten en de financiering van de cocaïne neemt de inspecteur een informatiebeschikking, die onherroepelijk wordt. De inspecteur merkt de contanten en de inkoopwaarde van de cocaïne (€ 273.209) aan als resultaat uit overige werkzaamheden, in totaal € 1.070.000, en legt vergrijpboeten op. In geschil is of de schatting van het resultaat uit overige werkzaamheden redelijk is en of de vergrijpboete terecht is opgelegd.
Hof 's-Hertogenbosch oordeelt dat de waarde van de cocaïne als resultaat uit overige werkzaamheden kwalificeert en dat deze schatting redelijk is. Het hof acht het niet redelijk de contanten volledig aan X toe te rekenen, omdat Y als mededader voor het witwassen is veroordeeld, en rekent de helft aan X toe. Het resultaat uit overige werkzaamheden bedraagt € 672.054. Het hof vernietigt de vergrijpboete, omdat de inspecteur niet overtuigend aantoont dat X (voorwaardelijk) opzet heeft op het doen van een onjuiste aangifte. Het alternatieve scenario dat X slechts koerier is zonder vergoeding acht het hof niet ondenkbaar.
Wetingang:
Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 52A
Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 67D
Instantie: Hof 's-Hertogenbosch
Rubriek: Inkomstenbelasting, Fiscaal bestuurs(proces)recht
Editie: 2 november
Informatiesoort: VN Vandaag