X maakt op 17 juli 2012 digitaal bezwaar tegen de BTW-naheffingsaanslag 2011. Tijdens een hoorgesprek op 23 juni 2023 stelt X dat hij op 15 juni 2012 persoonlijk een bezwaarschrift heeft afgegeven bij de Belastingdienst te Heerlen, dat het bezwaarschrift door een medewerkster van de balie is gestempeld en dat hij één exemplaar heeft behouden. Omdat X het originele bezwaarschrift van 15 juni 2012 niet kan overleggen, wordt zijn bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding. Van belang is ook dat de door hem overgelegde kopie afwijkt van de gebruikelijke werkwijze van de Belastingdienst. Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat X niet aannemelijk maakt dat hij het bezwaarschrift van 15 juni 2012 tijdig heeft ingediend. De rechtbank merkt op dat X niet eerder dan tijdens het hoorgesprek op 23 juni 2023 melding heeft gemaakt van het bezwaarschrift van 15 juni 2012. Het bezwaar is terecht niet-ontvankelijk verklaard.
Hof 's-Hertogenbosch oordeelt dat X niet aannemelijk maakt dat de inspecteur het stuk van 15 juni 2012 vóór afloop van de bezwaartermijn heeft ontvangen. Het stuk bevat enkel een algemeen stempel zonder datumstempel, handtekening of paraaf van een medewerker van de Belastingdienst. X maakt zijn blote stelling, dat het belastingkantoor te Heerlen een afwijkende werkinstructie hanteert, niet aannemelijk omdat deze stelling niet wordt onderbouwd. Het hof is het eens met de rechtbank dat een termijnoverschrijding van minder dan een week niet maakt dat de overschrijding verschoonbaar is. Het hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Wetingang:
Algemene wet bestuursrecht artikel 6.7
Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 22J
Instantie: Hof 's-Hertogenbosch
Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht
Editie: 30 oktober
Informatiesoort: VN Vandaag