De inspecteur verleent aan X naar aanleiding van zijn dertiende uitstelverzoek tot 1 augustus 2022 uitstel voor het indienen van de IB-aangifte 2018. Vervolgens stuurt de inspecteur met dagtekening 30 mei 2022 een aanmaning naar X, waarin hij X sommeert om de aangifte vóór 14 juni 2022 in te dienen. Na het afwijzen van de volgende twee uitstelverzoeken, omdat X al een aanmaning heeft gekregen, legt de inspecteur uiteindelijk op 26 maart 2025 ambtshalve een IB-aanslag op, met verzuimboete en belastingrente.
Rechtbank Noord-Nederland oordeelt dat de inspecteur met de aanmaningsbrief van 30 mei 2022 het eerder verleende uitstel impliciet intrekt. Dit houdt in dat het rechtsgevolg van dat uitstel voor de aanslagtermijn eindigt. De rechtbank vernietigt daarom de aanslag, de boete en de belastingrente, omdat de aanslagtermijn ten tijde van het opleggen van de aanslag was geëindigd. In haar uitspraak overweegt de rechtbank dat er gelet op de vaststaande feiten twee routes zijn te bewandelen. De rechtbank kiest uiteindelijk voor de route waarbij de conclusie luidt dat de aanslag te laat is opgelegd. De rechtbank acht daarbij met name van belang dat een belastingplichtige die een aanmaning met boetedreiging ontvangt, redelijkerwijs concludeert dat het eerder verleende uitstel is ingetrokken. Dat is ook het standpunt dat de inspecteur verdedigt, waarvan hij de rechtsgevolgen aanvaardt.
Wetingang:
Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 11
Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 9
Instantie: Rechtbank Noord-Nederland
Rubriek: Invordering, Fiscaal bestuurs(proces)recht
Editie: 29 oktober
Informatiesoort: VN Vandaag