X NV, een betaald voetbalorganisatie, sluit met een speler vanaf 2018 drie opeenvolgende arbeidsovereenkomsten. Elke nieuwe overeenkomst beëindigt de vorige met wederzijds goedvinden. De werkzaamheden blijven in alle overeenkomsten identiek omschreven. De overeenkomst uit 2022 bevat afspraken over een lumpsum bij een toekomstige transfer, berekend als percentage van de netto transfervergoeding. In 2023 eindigt de arbeidsovereenkomst en draagt X NV de registratie van de werknemer over aan een buitenlandse voetbalorganisatie. De inspecteur legt twee naheffingsaanslagen loonheffingen op ter zake van de pseudo-eindheffing excessieve vertrekvergoeding, berekend uitgaande van één dienstbetrekking met vergelijkingsloon uit 2021.
Rechtbank Noord-Holland oordeelt dat het begrip dienstbetrekking een fiscaal autonoom begrip is en het civiele recht er niet toe dwingt opeenvolgende arbeidsovereenkomsten als afzonderlijke dienstbetrekkingen te beschouwen. De werknemer verricht bij X NV doorlopend dezelfde werkzaamheden, zodat sprake is van één voortgezette dienstbetrekking van 2018 tot 2023. De inspecteur gaat terecht uit van het vergelijkingsloon uit 2021. Het beroep op art. 1 EP EVRM faalt omdat X NV niet aannemelijk maakt dat de pseudo-eindheffing een individuele en buitensporige last vormt. Ook het beroep op het non-discriminatieverbod, en de vrijheid van kapitaalverkeer slaagt niet. Nederland mag daarnaast heffen over de transfergerelateerde vergoeding. De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Wetingang:
Wet op de loonbelasting 1964 artikel 32BB
Instantie: Rechtbank Noord-Holland
Rubriek: Loonbelasting
Editie: 29 oktober
Informatiesoort: VN Vandaag