Van onderdekking is sprake als het vermogen van het eigenbeheerlichaam onvoldoende is om de verplichtingen volledig te dekken. Volgens de Belastingdienst kan zonder fiscale sancties van een deel van de aanspraak worden afgezien als aan drie cumulatieve voorwaarden wordt voldaan. De onderdekking moet zijn veroorzaakt door reële ondernemings- of beleggingsverliezen, alle bezittingen van het eigenbeheerlichaam moeten worden aangewend voor aankoop van een kwalificerend product bij een toegelaten aanbieder en het eigenbeheerlichaam moet direct daarna worden geliquideerd. Vorderingen, waaronder rekening-courantschulden van de aanspraakgerechtigde, moeten eerst volledig worden geïnd.
Voldoet men aan deze voorwaarden, dan wordt het niet-gedekte deel van de aanspraak aangemerkt als niet voor verwezenlijking vatbaar. Het prijsgeven daarvan leidt niet tot toepassing van de prijsgeefsancties en evenmin tot een verhoging van de verkrijgingsprijs van het aanmerkelijk belang. De handreiking gaat daarnaast in op de mogelijke toepassing van de kwijtscheldingswinstvrijstelling in de vennootschapsbelasting.
Wetingang:
Wet op de loonbelasting 1964 artikel 19B
Wet op de loonbelasting 1964 artikel 11
Wet op de loonbelasting 1964 artikel 37
Wet op de loonbelasting 1964 artikel 38N
Wet op de loonbelasting 1964 artikel 19A
Wet op de loonbelasting 1964 artikel 19
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.133
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.125
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.126A
Wet op de vennootschapsbelasting 1969 artikel 8
Rubriek: Loonbelasting
Regelgevende instantie: Belastingdienst
Editie: 23 oktober
Informatiesoort: VN Vandaag