De ouders van X dragen op 14 december 2021 het economisch eigendom van een woning aan hem over. X huurt de woning op dat moment reeds van zijn ouders en gaat daarvoor een hypothecaire lening bij hen aan. X voldoet € 10.060 aan overdrachtsbelasting op aangifte naar het verlaagde tarief van 2%. De inspecteur legt op 6 oktober 2025 een naheffingsaanslag overdrachtsbelasting op van € 30.180. Volgens de inspecteur geldt op grond van art. 14 lid 4 Wet BRV 1970 het algemene tarief van 8% voor de verkrijging van economisch eigendom. X gaat in beroep.
Rechtbank Den Haag oordeelt dat de overdrachtsbelasting een tijdstipbelasting is en dat op het moment van verkrijging op 14 december 2021 het algemene tarief van 8% geldt. Art. 14 lid 4 Wet BRV 1970 (wettekst 2021) sluit het verlaagde tarief van 2% uitdrukkelijk uit voor de verkrijging van economisch eigendom. De wetswijziging per 1 januari 2025 heeft geen terugwerkende kracht nu de wetgever dit niet expliciet regelt. Het beroep op het vertrouwensbeginsel, het gelijkheidsbeginsel en het lex mitior-beginsel slaagt evenmin. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Wetingang:
Wet op belastingen van rechtsverkeer artikel 2
Wet op belastingen van rechtsverkeer artikel 14
Instantie: Rechtbank Den Haag
Rubriek: Belastingen van rechtsverkeer
Editie: 23 oktober
Informatiesoort: VN Vandaag