Stichting X houdt zich zonder winstoogmerk bezig met het vervoer van rolstoelgebruikers. Zij schaft in 2024 een nieuwe rolstoelbus aan en verzoekt om teruggaaf van BPM. Het vervoer bestaat voor circa 95% uit ritten van en naar instellingen zoals ziekenhuizen en revalidatiecentra. In de overige gevallen haalt Stichting X een rolstoelgebruiker thuis op. De inspecteur wijst het verzoek af omdat het motorrijtuig niet uitsluitend voor vervoer van en naar instellingen dient. Bij aanschaf van een vorige rolstoelbus wijst de inspecteur een vergelijkbaar verzoek wel toe, waarbij hij het criterium geheel of nagenoeg geheel hanteert. In geschil is of voor teruggaaf van BPM op grond van art. 15 lid 1 onderdeel g Wet BPM 1992 de eis van uitsluitend gebruik geldt, of dat nagenoeg uitsluitend gebruik volstaat.
Rechtbank Noord-Holland oordeelt dat onder het oude regime het criterium uitsluitend of nagenoeg uitsluitend geldt. De nota van toelichting op het Uitv.besl. BPM 1992 vermeldt dat de voorwaarden ongewijzigd worden voortgezet, zonder motivering voor een aanscherping. De teruggaafregeling bestaat vanwege de bijzondere sociale functie van auto's bestemd voor groepsvervoer van rolstoelgebruikers. De rechtbank laat de bedoeling van de wetgever zwaarder wegen dan de bewoordingen van het Uitv.besl. BPM 1992. Stichting X gebruikt de rolstoelbus voor circa 95% voor kwalificerende ritten en voldoet daarmee aan de voorwaarden voor teruggaaf. Het beroep is gegrond.
Wetingang:
Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 artikel 15
Uitvoeringsbesluit belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 artikel 11
Instantie: Rechtbank Noord-Holland
Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht, Belastingheffing van motorrijtuigen
Editie: 29 oktober
Informatiesoort: VN Vandaag