X BV wordt in 2015 opgericht met als doel om te investeren in een kantoorpand. In 2015 wordt een kantoorpand gekocht. De aankoopsom wordt deels met eigen vermogen gefinancierd en deels met een lening van de aandeelhouders (AHL). Op deze lening is een rente van 7% verschuldigd, terwijl geen zekerheden zijn verstrekt. In een procedure over de VPB-aanslagen 2015/2016 en 2017 oordeelt Hof Amsterdam dat de inspecteur aannemelijk maakt dat de AHL moet worden gekwalificeerd als een onzakelijke lening (19 december 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:3626, V-N 2025/10.1.2). Naast de VPB-aanslagen legt de inspecteur ook naheffingsaanslagen dividendbelasting op aan X BV. X BV is het daar niet mee eens en stelt onder andere dat verkapte dividenduitkeringen niet onder het bereik van de dividendbelasting vallen en dat de rente op de AHL niet onzakelijk hoog is.
Hof Amsterdam oordeelt dat de inspecteur terecht dividendbelasting heft over de onzakelijk hoge rente. Verkapte dividenduitkeringen vallen namelijk ook onder het bereik van de dividendbelasting. Het hof verwijst naar de ruime omschrijving in art. 3 Wet DB 1965 en verwerpt de stelling van X BV dat haar Israëlische aandeelhouders belastingplichtig zijn voor de dividendbelasting, en niet zij. Ook verwerpt het hof de stelling van X BV dat de onzakelijkelening-jurisprudentie zich niet uitstrekt tot de dividendbelasting. Onder verwijzing naar zijn uitspraak van 19 december 2024 merkt het hof op dat de inspecteur de correctie van de renteaftrek op de AHL als verkapt dividend in de naheffingsaanslagen dividendbelasting heeft kunnen betrekken. Ook laat het hof, anders dan de rechtbank, de vergrijpboetes in stand, maar vermindert deze naar 25% en brengt daar bovenop nog 20% in mindering wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Wetingang:
Wet op de dividendbelasting 1965 artikel 1
Instantie: Hof Amsterdam
Rubriek: Vennootschapsbelasting, Fiscaal bestuurs(proces)recht, Dividendbelasting
Editie: 28 oktober
Informatiesoort: VN Vandaag