X is zelfstandig pedagogisch medewerker en verleent diensten aan kinderopvangorganisaties die geregistreerde kindercentra exploiteren. Zij sluit overeenkomsten van opdracht met deze organisaties voor het verrichten van pedagogische diensten. X staat ingeschreven in het personenregister kinderopvang en beschikt over de vereiste diploma's en certificaten. De ouders sluiten overeenkomsten met de kinderopvangorganisaties, niet met X. X voldoet over het eerste kwartaal 2022 € 2149 aan omzetbelasting op aangifte en maakt hiertegen bezwaar. De inspecteur verklaart het bezwaar ongegrond. Rechtbank Gelderland verklaart het beroep ongegrond. In geschil is of X de vrijstelling voor kinderopvang van art. 11 lid 1 letter w Wet OB 1968 kan toepassen op haar diensten.
Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat de diensten van X naar hun inhoud kwalificeren als kinderopvang in de zin van de Wet kinderopvang en niet slechts als het verrichten van arbeid. X voldoet aan de in de Wet kinderopvang gestelde eisen, nu zij staat ingeschreven in het personenregister kinderopvang en haar registratie koppelt aan het betreffende kindercentrum. Omdat art. 11 lid 1 letter w Wet OB 1968 ongeclausuleerd verwijst naar de eisen uit de Wet kinderopvang en X daaraan voldoet, kwalificeert zij als erkende instelling in de zin van de BTW-richtlijn. De vrijstelling komt niet uitsluitend toe aan de houder van een geregistreerd kindercentrum. Het hof vermindert de verschuldigde omzetbelasting tot nihil.
Wetingang:
Wet op de omzetbelasting 1968 artikel 11
Instantie: Hof Arnhem-Leeuwarden
Rubriek: Omzetbelasting
Editie: 28 oktober
Informatiesoort: VN Vandaag