Het Oostenrijkse Flugzeugherstellerin ontwikkelt en fabriceert een opleidingsvliegtuig met twee zitplaatsen. Dit vliegtuig wordt aangeboden in twee modellen: één voor kunstvliegen en één voor verkenningsvluchten. In 2018 dient Flugzeugherstellerin een aanvraag in voor een vergunning tot uitvoer van vliegtuigen en accessoires naar Myanmar. De ontvanger van de producten is een burgerlijke handelsonderneming in Myanmar en de eindgebruiker is de luchtmacht van Myanmar. In 2019 wordt een uitvoervergunning voor één jaar verleend. Een aanvraag uit 2020 wordt afgewezen omdat niet wordt voldaan aan de vergunningscriteria van de AWG (een Oostenrijkse wet op de buitenlandse handel). De Oostenrijkse rechter stelt prejudiciële vragen in deze zaak. Deze rechter wil met name weten welke omstandigheden relevant zijn bij de beoordeling van de vraag of een product ‘[ook] een militaire bestemming’ kan hebben in de zin van art. 2 punt 1 van de verordening inzake producten voor tweeërlei gebruik.
Advocaat-generaal Ćapeta concludeert dat het voor de vaststelling of een product kan worden geacht ‘[ook] een militaire bestemming’ te hebben volstaat dat dit product kan worden gebruikt voor de opleiding van militaire piloten. Dat het product geen aanzienlijke bijdrage levert aan de capaciteiten van de strijdkrachten is niet van belang. Ook is niet van belang dat de opleiding niet verschilt van die van burgerpiloten. Verder moet bij de beoordeling van de vraag of een product ‘[ook] een militaire bestemming’ kan hebben uitsluitend rekening worden gehouden met de objectieve capaciteiten van het product aan de hand van de fysieke kenmerken ervan ten tijde van de uitvoer. Met de militaire capaciteiten van de eindgebruiker of de ontvanger in het derde land waarnaar het product zal worden uitgevoerd hoeft geen rekening te worden gehouden.
Instantie: Hof van Justitie van de Europese Unie
Rubriek: Omzetbelasting
Editie: 16 oktober
Informatiesoort: VN Vandaag