X houdt de aandelen in A BV en houdt via A BV belangen in andere BV’s. In verband met de groei van de onderneming wordt extra financiering aangetrokken bij de bank. X stelt zich daarbij borg voor een bedrag van € 37.500. In 2020 wordt X door de bank aangesproken als borg. X wil dit bedrag in aanmerking nemen als verlies uit overige werkzaamheden, maar volgens de inspecteur is sprake van verlies uit aanmerkelijk belang. Volgens de inspecteur is de borgstelling namelijk van meet af aan onzakelijk, dan wel is deze onzakelijk geworden.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat X de uit hoofde van de borgstelling gedane betaling in aanmerking kan nemen als verlies uit overige werkzaamheden. De borgstelling was op het moment van aangaan in 2014 zakelijk en is niet onzakelijk geworden. De rechtbank acht onder meer van belang dat een mede-investeerder in 2013 bereid was om fors te investeren en de bank een krediet van € 200.000 en een borgstellingskrediet van € 225.000 heeft verstrekt. Verder werd ook voldaan aan de voorwaarden in het Kaderbesluit EZ-subsidies, zodat recht bestond op een borgstelling door de Staat der Nederlanden voor € 225.000. De inspecteur slaagt niet in zijn bewijslast dat de borgstelling onzakelijk was dan wel onzakelijk is geworden. Daarbij geldt voor een borgstelling ook dat niet zonder meer maatregelen kunnen worden getroffen om rechten veilig te stellen. Het gelijk is aan X.
Wetingang:
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.92
Instantie: Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Rubriek: Inkomstenbelasting
Editie: 16 oktober
Informatiesoort: VN Vandaag