Rechtbank Noord-Holland oordeelt dat de verlengde navorderingstermijn onverkort van toepassing is bij kapitaalverkeer met derde landen en handhaaft de (navorderings)aanslagen IB/PVV.

X is (indirect) DGA van een op de Seychellen opgerichte vennootschap (X Ltd.) en een in de Verenigde Arabische Emiraten gevestigde vennootschap (Y Ltd.). Van de bankrekening van X Ltd. wordt in 2015 tot en met 2017 in totaal € 141.662 afgeschreven als 'card funding'. Daarnaast boekt Y Ltd. in 2017 € 490.000 over aan een derde entiteit voor 'gold and jewellery'. X doet aangifte IB/PVV 2015 - 2020 met uitsluitend box 1-inkomen. Na ontvangst van buitenlandse renseignementen legt de inspecteur navorderingsaanslagen 2015 - 2019, een aanslag 2020 en vergrijpboetes voor 2015 - 2017 op. X gaat in beroep.

Rechtbank Noord-Holland oordeelt dat de standstillbepaling van art. 64 VwEU van toepassing is bij kapitaalverkeer met derde landen, waardoor de Unierechtelijke voortvarendheidseis niet geldt en de verlengde navorderingstermijn onverkort van toepassing is. X doet voor alle jaren niet de vereiste aangifte, zodat omkering en verzwaring van de bewijslast aan de orde is. De schattingen van de inspecteur, gebaseerd op gerenseigneerde bankafschriften, zijn redelijk. De 'card funding'-afschrijvingen en de overboeking van € 490.000 kwalificeren als verkapte winstuitdelingen aan X als aandeelhouder. X voldoet niet aan de verzwaarde bewijslast. De vergrijpboetes blijven in stand, maar worden verminderd met 15% in verband met overschrijding van de redelijke termijn.

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 4.12

Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 5.2

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie artikel 63

Instantie: Rechtbank Noord-Holland

Rubriek: Europees belastingrecht, Fiscaal bestuurs(proces)recht, Inkomstenbelasting

Editie: 16 oktober

Informatiesoort: VN Vandaag

20

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen