Y en zijn echtgenote Z zijn gezamenlijk eigenaar van een woning en vormen in dat kader de stille maatschap X (belanghebbende). Op de garage van de woning hebben de echtgenoten in de jaren 2018 en 2019 een werkkamer met een eigen ingang en opgang via de garage laten bouwen. Y is daarnaast enig aandeelhouder van een BV, waarbij Y en Z beiden in dienstbetrekking zijn. X verhuurt de werkkamer in de woning aan de BV. Partijen opteren voor BTW-belaste verhuur. Volgens Hof ’s-Hertogenbosch is X BTW-ondernemer, maar is opteren voor belaste verhuur niet mogelijk. X gaat in cassatie.
De Hoge Raad oordeelt dat niet-zakelijk gebruik – zolang dat geen feitelijk gebruik als woning is – geen beletsel is voor belaste verhuur, mits dat gebruik niet méér dan 10% beslaat. Dat leidt in dit geval echter niet tot cassatie. In het oordeel van het hof ligt besloten dat de kamer mede voor woondoeleinden wordt gebruikt. Het hof baseert dit onder meer op de inrichting van de kamer, de verklaringen over het privégebruik, het in de BTW-aangifte opgenomen privégebruik en het ontbreken van werkruimte elders in de woning. In cassatie wordt dit niet bestreden. Elke mate van gebruik als woning staat aan gebruikmaking van de optie voor belaste verhuur in de weg. Het maakt niet uit dat dit gebruik beperkt is en op jaarbasis neerkomt op hoogstens 1 à 2%. Het cassatieberoep van X is ongegrond.
Wetingang:
Wet op de omzetbelasting 1968 artikel 11
Wet op de omzetbelasting 1968 artikel 15