X is door de strafrechter veroordeeld tot betaling van € 8224,45 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit hennepteelt. Dit is gebaseerd op één oogst waarvan X, volgens zijn eigen verklaring, één derde van de opbrengst heeft ontvangen. De inspecteur legt na een onderzoek navorderingsaanslagen IB/PVV 2018 en 2019 op. Hij gaat uit van drie oogsten. De vermogensvergelijking leidt tot een netto negatief privé van € 22.891,13 voor 2018 en van € 19.955,41 voor 2019. Volgens Rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft X niet de vereiste aangiften gedaan en is de inspecteur van een redelijke schatting uitgegaan. De boeten worden verlaagd tot € 6300, omdat ze zijn komen vast te staan met toepassing van omkering en verzwaring van de bewijslast en de redelijke termijn is overschreden. X gaat in hoger beroep.
Hof s-Hertogenbosch oordeelt dat de bewijslast terecht is omgekeerd en verzwaard en dat de inspecteur van een redelijke schatting is uitgegaan. X heeft niet doen blijken dat de aanslagen te hoog zijn vastgesteld. Er is namelijk geen verklaring voor het substantiële negatief netto privé in beide jaren. De gestelde gokwinsten maakt X niet aannemelijk. De boeten worden verder verlaagd tot € 5000 vanwege de persoonlijke en financiële omstandigheden van X. Het hoger beroep is gegrond.
Wetingang:
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.90
Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 67D
Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 67E
Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 27E
Instantie: Hof 's-Hertogenbosch
Rubriek: Inkomstenbelasting, Fiscaal bestuurs(proces)recht
Editie: 26 oktober
Informatiesoort: VN Vandaag