Belanghebbende, X, is het niet eens met een naheffingsaanslag BPM. Hof Den Haag verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk omdat het hogerberoepschrift vijf dagen na afloop van de termijn is binnengekomen. Het daartegen ingestelde verzet wordt ongegrond verklaard. Volgens het hof zijn geen omstandigheden aangevoerd die de termijnoverschrijding verschoonbaar maken. Ook het beroep van X op strijdigheid met het Unierecht slaagt niet. In cassatie stelt X dat de toepassing van de artikelen 6:7 en 6:11 Awb in strijd is met het EU-Handvest. Door zijn hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, wordt hem volgens X de effectieve toegang tot de rechter ontzegd.
De Hoge Raad oordeelt dat de zeswekentermijn voor het instellen van beroep niet in strijd is met het Unierecht. Het Unierecht kent geen algemene regeling voor termijnen van rechtsmiddelen. Dat betekent dat lidstaten termijnen zelf mogen vaststellen, mits het gelijkwaardigheidsbeginsel en het doeltreffendheidsbeginsel worden geëerbiedigd. Aan het gelijkwaardigheidsbeginsel is in de Nederlandse context voldaan omdat de beroepstermijn en de regeling voor verschoonbare termijnoverschrijdingen geen onderscheid maken tussen nationale en Unierechtelijke aanspraken. Ook het doeltreffendheidsbeginsel wordt geëerbiedigd. De beroepstermijn is namelijk niet zo kort dat zij de uitoefening van Unierechtelijke rechten onmogelijk of uiterst moeilijk zou maken. Daarbij weegt mee dat een beroepschrift niet direct hoeft te worden gemotiveerd, professionele rechtsbijstand niet verplicht is en art. 6:11 Awb ruimte biedt om termijnoverschrijdingen verschoonbaar te achten. De regeling eerbiedigt daarmee het recht op effectieve rechtsbescherming en voldoet aan het evenredigheidsbeginsel. Het cassatieberoep is ongegrond.
Wetingang:
Algemene wet bestuursrecht artikel 6.7
Algemene wet bestuursrecht artikel 6.11
Instantie: Hoge Raad
Editie: 26 oktober
Informatiesoort: VN Vandaag
Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht