X woont in Nederland en werkt als schipper op een binnenvaartschip voor de Rijnvaart. De eigenaar van dat schip is in Nederland gevestigd. Volgens de Rijnvaartverklaring wordt het geëxploiteerd door de Luxemburgse A SA. In 2015 verricht X ook nevenwerkzaamheden voor de Bulgaarse B SA. Deze verricht X niet als varend personeel. Hij benadert andere schippers voor de opslag van goederen. De werkzaamheden worden wel verricht aan boord van het schip, maar hebben geen betrekking op de Rijnvaart. Vanaf 1 juni 2015 werkt X uitsluitend voor A SA. Volgens Hof ’s-Hertogenbosch is op grond van de Rijnvarendenovereenkomst uitsluitend de Luxemburgse socialezekerheidswetgeving van toepassing. De Staatssecretaris stelt in cassatie dat deze overeenkomst niet van toepassing is bij samenloop van Rijnvaartwerkzaamheden en niet-Rijnvaartwerkzaamheden.
De Hoge Raad verzoekt het HvJ EU antwoord te geven op de volgende prejudiciële vragen: is het HvJ EU bevoegd bij wijze van prejudiciële beslissing een uitspraak te doen over de uitlegging van de Rijnvarendenovereenkomst? Zo ja, wijst de overeenkomst dan toepasselijke wetgeving aan als een werknemer (1) als varend personeel beroepsarbeid verricht aan boord van een schip van de Rijnvarendenovereenkomst, waardoor hij volgens die bepaling als Rijnvarende moet worden aangemerkt, en (2) tegelijk aan boord van het schip ook andere werkzaamheden verricht die niet behoren tot de beroepswerkzaamheden van varend personeel op het schip? De zaak wordt geschorst totdat de vragen zijn beantwoord.
Wetingang:
Verordening (EG) Nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels artikel 16
Verordening (EG) Nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels artikel 13
Verdrag betreffende de Europese Unie
Instantie: Hoge Raad
Rubriek: Europees belastingrecht, Premieheffing
Editie: 26 oktober
Informatiesoort: VN Vandaag