Tot het box 3-vermogen van X behoort een vordering op de notaris van € 643.000 in verband met de verkoop van zijn eigen woning. Verder bezit X het bloot eigendom van een onroerende zaak waarvan zijn ouders het vruchtgebruik hebben. X is het niet eens met de aan hem opgelegde IB-aanslag met € 31.917 aan box 3-inkomen. Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt onder verwijzing naar het Kerst-arrest (Hoge Raad, 24 december 2021, 21/01243, ECLI:NL:HR:2021:1963, V-N 2022/2.3) dat X door het forfaitaire stelsel zoals volgt uit de Wet IB 2001 onrechtmatig wordt geconfronteerd met een heffing naar een voordeel uit sparen en beleggen dat hoger is dan het werkelijk behaalde rendement, omdat in casu geen dan wel verwaarloosbaar rendement is genoten. De eventueel ongerealiseerde vermogenswinsten op het bloot eigendom vallen niet onder ‘werkelijk behaald rendement’. De rechtbank geeft de doorslag aan een grammaticale uitleg en sluit voor het rechtsherstel aan bij het werkelijke rendement over het aan X toegerekende vermogen, zijnde nihil.
Hof 's-Hertogenbosch oordeelt dat het niet gerealiseerde rendement van de onroerende zaak meetelt bij de berekening of het volgens de wet belaste fictieve rendement hoger is dan het werkelijke rendement. Het hof berekent de waardestijging van het bloot eigendom op € 27.360. Een en ander volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 6 juni 2024 (23/00653, ECLI:NL:HR:2024:705, V-N 2024/28.4). Voor het bedrag van € 643.000 geldt dat dit tot het box 3-vermogen behoort en moet worden aangemerkt als vordering en niet als banktegoed. Omdat het werkelijk rendement lager is dan het forfaitair rendement, wordt de aanslag verminderd.
Wetingang:
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 5.2
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 5.3
Instantie: Hof 's-Hertogenbosch
Rubriek: Inkomstenbelasting
Editie: 30 oktober
Informatiesoort: VN Vandaag