Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat de verzuimboete voor het niet tijdig indienen van de aangifte IB/PVV 2021 terecht is opgelegd. X maakt niet aannemelijk dat hij alle in redelijkheid te vergen zorg heeft betracht om tijdig aangifte te doen.

X ontvangt op 28 februari 2022 een uitnodiging om aangifte IB/PVV 2021 te doen en krijgt op grond van de Becon-regeling uitstel tot 1 mei 2023. De inspecteur herinnert X op 1 juni 2023 en maant hem op 10 juli 2023 aan om uiterlijk 24 juli 2023 aangifte te doen. Op 17 juli 2023 dient een derde via DigiD Machtigen een machtigingsaanvraag in om namens X zaken bij de Belastingdienst te regelen. X dient op 26 juli 2023 zelf de aangifte in. De inspecteur legt met dagtekening 27 mei 2025 de aanslag IB/PVV 2021 op en stelt gelijktijdig een verzuimboete van € 385 vast. In geschil is of de verzuimboete wegens het niet tijdig indienen van de aangifte IB/PVV 2021 terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat vaststaat dat X de aangifte niet binnen de in de aanmaning gestelde termijn heeft ingediend, zodat de verzuimboete in beginsel terecht is opgelegd. X beroept zich op overmacht wegens het overlijden van zijn toenmalige gemachtigde, maar de inspecteur stelt onweersproken dat deze pas na de aangiftetermijn in oktober 2023 is overleden. X onderbouwt onvoldoende dat hij alle in redelijkheid te vergen zorg heeft betracht. De DigiD-machtigingsaanvraag volstaat niet, omdat niet is gebleken dat daadwerkelijk een machtiging is afgegeven of dat X afspraken over het indienen van de aangifte heeft gemaakt. De rechtbank ziet geen bijzondere omstandigheden voor matiging en acht de verzuimboete passend en geboden.

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 67A

Instantie: Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht

Editie: 30 oktober

Informatiesoort: VN Vandaag

15

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen