X is in 2018 eigenaar van meerdere onroerende zaken met een totale WOZ-waarde van € 742.000. De inspecteur legt een aanslag IB/PVV 2018 op, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 74.575 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 27.032. Na een ambtshalve vermindering bedraagt het belastbaar inkomen uit werk en woning € 73.075. Het inkomen uit sparen en beleggen blijft ongewijzigd. X maakt bezwaar en stelt dat de inspecteur ten onrechte uitgaat van de WOZ-waarden. Hij wijst op afwijkende WOZ-beschikkingen voor 2020 en op een verkoop van twee panden in 2020 voor een gezamenlijke prijs van € 44.000. De inspecteur hoort X niet in de bezwaarfase. In geschil is of het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen te hoog is vastgesteld doordat de inspecteur uitgaat van de WOZ-waarden, en of schending van het hoorrecht tot vernietiging leidt.
Rechtbank Noord-Nederland oordeelt dat de inspecteur op grond van de wet voor de waarde van onroerend goed in box 3 mag kijken naar de WOZ-beschikkingen zoals afgegeven voor het betreffende jaar. Afwijkende WOZ-beschikkingen voor 2020 doen niet af aan de geldigheid van de WOZ-beschikkingen voor 2018, omdat WOZ-waarden jaarlijks opnieuw worden vastgesteld. X legt geen stukken over die voor 2018 andere waarden onderbouwen. De rechtbank ziet evenmin aanleiding om aan te sluiten bij verkoopwaarden van panden in een later jaar. Het hoorrecht is geschonden, maar de rechtbank gaat hieraan voorbij op grond van art. 6:22 Awb, omdat X in beroep voldoende gelegenheid heeft om zijn standpunten naar voren te brengen. Het beroep is ongegrond.
Wetingang:
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 5.20
Algemene wet bestuursrecht artikel 6.22
Instantie: Rechtbank Noord-Nederland
Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht, Inkomstenbelasting
Editie: 2 november
Informatiesoort: VN Vandaag