Hof Den Bosch oordeelt dat de inspecteur de verzoeken om ambtshalve vermindering van de premie volksverzekeringen 2014 en 2015 terecht afwijst. De verzoeken zijn niet ingediend binnen de vijfjaarstermijn.

X woont in 2014 en 2015 in Letland en werkt buiten Nederland aan boord van een jack-up onder de vlag van de Bahama's. Hij ontvangt loon van een Nederlandse werkgever. De inspecteur legt aanslagen IB/PVV 2014 en 2015 op met een premie-inkomen van € 22.663 respectievelijk € 23.044. Niet in geschil is dat X in die jaren niet premieplichtig is in Nederland. Na het SF-arrest (HvJ EU 8 mei 2019, C-631/17, ECLI:EU:C:2019:381, V-N 2019/23.6) dient X op 24 november 2021 verzoeken om ambtshalve vermindering in. De inspecteur wijst deze verzoeken af. De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Hof Den Bosch oordeelt dat de verzoeken om ambtshalve vermindering niet binnen de vijfjaarstermijn van art. 45aa Uitv.reg. IB 2001 zijn ingediend. De verlengde navorderingstermijn voor buitenlands inkomen rechtvaardigt geen verlenging van de vijfjaarstermijn. Een belastingplichtige wordt geacht zijn eigen situatie te kennen en heeft geen informatieachterstand die compensatie behoeft. Ook bij tijdige verzoeken zouden de verzoeken om ambtshalve vermindering zijn afgewezen. De onjuistheid van de aanslagen vloeit voort uit het SF-arrest, dat na het onherroepelijk worden van de aanslagen is gewezen. De Minister van Financiën heeft in dit geval geen uitzondering bekendgemaakt op het nieuwe jurisprudentiecriterium. De vijfjaarstermijn en het nieuwe jurisprudentiecriterium zijn evenmin onevenredig. Het hoger beroep is ongegrond.

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 artikel 45AA

Instantie: Hof 's-Hertogenbosch

Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht, Inkomstenbelasting

Editie: 2 november

Informatiesoort: VN Vandaag

4

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen