X en zijn ex-partner hebben een zoon, geboren in 2015. Na beëindiging van het geregistreerd partnerschap in 2019 staat de zoon ingeschreven op het adres van de moeder. De zoon verblijft eens per twee weken in het weekend bij X. X heeft geen fiscaal partner en geen ouderschapsplan. X dient aangifte IB/PVV 2023 in naar een verzamelinkomen van € 66.203. De inspecteur legt de aanslag op conform de aangifte, maar zonder toekenning van inkomensafhankelijke combinatiekorting (IACK). In geschil is of X recht heeft op de IACK.
Rechtbank Gelderland oordeelt dat X geen recht heeft op IACK. De zoon staat niet ten minste zes maanden op het adres van X ingeschreven, waarmee niet aan de inschrijvingseis van art. 8.14a Wet IB 2001 is voldaan. Co-ouderschap blijkt niet, nu X verklaart geen ouderschapsplan te hebben. Met een verblijf van eens per twee weken in het weekend voldoet X evenmin aan de 78-dageneis van art. 44b Uitv.reg. IB 2001. De rechtbank ziet voorts geen strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en verklaart het beroep ongegrond.
Wetingang:
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 8.14A
Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 artikel 44B
Instantie: Rechtbank Gelderland
Rubriek: Inkomstenbelasting
Editie: 30 oktober
Informatiesoort: VN Vandaag