In de voorgelegde situatie leent een belastingplichtige € 80.000 voor een verbouwing en heeft hij een eigenwoningreserve van € 50.000. Van de verbouwingskosten wordt € 30.000 in jaar 1 gemaakt en € 50.000 in jaar 2, binnen zes maanden na het afsluiten van de lening.
Op grond van de zesmaandsgoedkeuring uit onderdeel 3.2 van het Besluit van 10 juni 2010 (Stcrt. 2010, 8462, V-N 2010/28.19) wordt de volledige € 80.000 aangemerkt als schuld voor verbetering of onderhoud van de woning. De maximale eigenwoningschuld bedraagt daardoor € 30.000 (€ 80.000 minus € 50.000 eigenwoningreserve). Het resterende deel van de lening van € 50.000 is een box 3-schuld.
Voor de eigenwoningreserve tellen daarentegen alleen de daadwerkelijk in het kalenderjaar gemaakte verbouwingskosten mee. De reserve daalt daarom in jaar 1 van € 50.000 naar € 20.000 en in jaar 2 verder naar nihil.
Wetingang:
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.119A
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.119AA