X woont in Nederland en werkt in 2019 als Rijnvarende in dienst van een in Liechtenstein gevestigde werkgever op een motortankschip dat Y BV in Nederland exploiteert. De SVB verklaart bij onherroepelijke A1-verklaring het Nederlandse socialezekerheidsrecht van toepassing voor de periode tot en met 31 maart 2019. Het Liechtensteinse sociaalzekerheidsorgaan geeft een voorlopige A1-verklaring af, maar trekt deze later in en bestempelt deze als betekenisloos. De SVB geeft op 28 november 2024 een tweede A1-verklaring af voor de periode vanaf 1 april 2019. De inspecteur legt de aanslag IB/PVV 2019 op met inbegrip van PVV. X maakt bezwaar tegen de premieplicht. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. X gaat in hoger beroep.
Hof 's-Hertogenbosch oordeelt dat geen sprake is van onrechtmatige risicoselectie omdat de controle voortvloeit uit de geclaimde PVV-vrijstelling in combinatie met contra-indicaties en correcties in voorgaande jaren. X is geheel 2019 premieplichtig op grond van de door de SVB afgegeven A1-verklaringen. Het beroep op het evenredigheidsbeginsel faalt omdat de PVV-heffing berust op een gebonden bevoegdheid met grondslag in een wet in formele zin. De meerderheidsregel biedt X geen soelaas omdat X per saldo niet slechter behandeld wordt dan de vergelijkingsgroep. Het hof acht zich niet bevoegd te oordelen over de rechtmatigheid van de door de SVB afgegeven A1-verklaring.
Wetingang:
Wet financiering sociale verzekeringen artikel 57
Instantie: Hof 's-Hertogenbosch
Rubriek: Premieheffing
Editie: 2 november
Informatiesoort: VN Vandaag