X ontvangt in 2023 loon van twee gemeenten, in totaal € 118.217, waarop de werkgevers € 38.669 aan loonheffingen inhouden. Beide werkgevers passen het tarief van 36,93% en de loonheffingskorting toe. X doet aangifte IB/PVV 2023 naar een belastbaar inkomen van € 65.694 en geeft alleen het loon van één werkgever op (€ 69.229). De inspecteur wijkt af van de aangifte en legt een aanslag op naar een belastbaar inkomen van € 114.682 en een te betalen bedrag van € 10.991. In geschil is of de inspecteur de aanslag IB/PVV 2023 terecht en naar het juiste bedrag heeft opgelegd.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat de inspecteur de aanslag terecht en naar het juiste bedrag heeft opgelegd. De samenloop van twee inkomstenbronnen brengt de derde schijf van het progressieve tarief in beeld, waardoor X meer IB/PVV is verschuldigd dan de werkgevers aan loonheffingen hebben ingehouden. De ingehouden loonheffing vormt een voorheffing; X betaalt het verschil bij op de aanslag. Beide werkgevers houden op juiste wijze loonheffingen in, nu zij niet weten dat X meerdere werkgevers heeft. De belastingschuld vloeit rechtstreeks uit de wet voort. De rechtbank verwerpt het beroep op het evenredigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. X' beroep is ongegrond.
Wetingang:
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 2.7
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 9.2
Instantie: Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Rubriek: Loonbelasting, Inkomstenbelasting
Editie: 3 november
Informatiesoort: VN Vandaag