X heeft een lijfrenteaanspraak en een pensioenaanspraak jegens zijn BV. In 2019 leent X € 117.190 van de BV. In 2020 is de BV geliquideerd. De vordering op X is daarbij volledig als verlies in aanmerking genomen. X geeft in zijn aangifte IB/PVV 2020 een belastbaar inkomen uit werk en woning aan van € 13.266. In 2023 legt de inspecteur een navorderingsaanslag IB/PVV 2020 op waarbij hij het inkomen uit werk en woning corrigeert met € 117.190 verminderd met € 3276 aan verliesverrekening van een in 2022 geleden verlies. In geschil is onder meer de navorderingsaanslag.
Rechtbank Gelderland oordeelt dat de navorderingsaanslag over 2020 terecht en niet tot een te hoog bedrag is opgelegd. Volgens de rechtbank is sprake van een nieuw feit, waardoor navordering mogelijk is. De inspecteur heeft terecht gesteld dat X op het moment van liquidatie de pensioen- en stamrechtaanspraak heeft prijsgegeven. Tot het bedrag van X’ schuld aan de BV zijn deze aanspraken voor verwezenlijking vatbaar. De inspecteur heeft het belastbaar inkomen dus terecht verhoogd met dit bedrag en de navorderingsaanslag terecht opgelegd.
Wetingang:
Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 16
Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 30I
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.133
Wet op de loonbelasting 1964 artikel 19B
Instantie: Rechtbank Gelderland
Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht, Inkomstenbelasting, Loonbelasting
Editie: 3 november
Informatiesoort: VN Vandaag