X exploiteert vier winkels waar hij souvenirartikelen, wietzaden en voedingswaren verkoopt. Bij een waarneming ter plaatse door de Belastingdienst en de Douane in april 2019 treft de Douane in een schoudertas een ringband aan met handgeschreven maandoverzichten over september 2018 tot en met februari 2019. Uit boekenonderzoek blijkt onder meer dat X in 2018 geen kasadministratie voert en kassagegevens niet bewaart. Voor één winkel heeft X € 82.472 aan pin- en creditcardomzet niet verantwoord. De inspecteur constateert dat X per winkel 22% tot 66% van de bruto-omzet niet heeft aangegeven en legt twaalf naheffingsaanslagen omzetbelasting op voor januari 2018 tot en met februari 2019. Rechtbank Noord-Holland verklaart de beroepen ongegrond. X gaat in hoger beroep.
Hof Amsterdam verwerpt het betoog van X dat de schaduwboekhouding onrechtmatig is verkregen. De Douane mocht de tas onderzoeken en de inspecteur bleef met zijn verzoek om de inhoud van de tas beschikbaar te stellen binnen zijn wettelijke bevoegdheden. De inspecteur maakt aannemelijk dat X niet de vereiste aangiften heeft gedaan. Uit de aangetroffen schaduwboekhouding volgt dat X zowel absoluut als relatief aanzienlijk meer belasting verschuldigd is dan aangegeven. Gelet op de aard en omvang van de administratieve gebreken moet X zich bewust zijn geweest dat de gedane aangiften onjuist waren, zodat de bewijslast wordt omgekeerd en verzwaard. De naheffingsaanslagen berusten op een redelijke schatting, nu de inspecteur deze volledig heeft gebaseerd op X' eigen schaduwboekhouding en ingediende aangiften. De extrapolatie naar januari tot en met augustus 2018 is eveneens redelijk. Het hoger beroep is ongegrond.
Wetingang:
Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 25
Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 52
Instantie: Hof Amsterdam
Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht
Editie: 2 november
Informatiesoort: VN Vandaag