De Tweede Kamer staat niet uitsluitend voor de keuze om het Omnibusvoorstel directe belastingen als geheel te steunen of af te wijzen. De Kamer kan ook onderscheid maken tussen maatregelen, voorwaarden verbinden aan Nederlandse steun, minder vergaande varianten verlangen en monitoring en herziening vooraf organiseren. Dit staat in de EU Wetenschapstoets Omnibusvoorstel directe belastingen die is uitgevoerd door Maarten de Wilde en Hans van den Hurk.
De wetenschapstoets onderschrijft de noodzaak om de Europese directe belastingen te vereenvoudigen, maar waarschuwt dat het Omnibusvoorstel verder gaat dan vereenvoudiging. Steun voor de vereenvoudigingsmaatregelen lijkt in beginsel verdedigbaar, mits deze uitvoerbaar worden vormgegeven en belastingplichtigen effectieve toegang tot rechtsbescherming en geschilbeslechting behouden.
Andere maatregelen kunnen aanzienlijke gevolgen hebben voor de belastingopbrengsten, de bescherming van de belastinggrondslag en de uitvoering. Het gaat onder meer om de afschaffing van het minimumdeelnemingsvereiste in de Moeder-Dochterrichtlijn, de verplichte uitzonderingen binnen de renteaftrekbeperking, de CFC-vrijstelling voor groepen die onder Pijler 2 vallen en de Europese R&D-faciliteit. Nederlandse steun voor zulke maatregelen kan afhankelijk worden gemaakt van voorwaarden, zoals een duidelijke en uitvoerbare afbakening.
Bij een derde categorie maatregelen is nog onvoldoende onderbouwd waarom de meest vergaande variant nodig is. Zo kan bij hybride mismatches ook worden gekozen voor gerichte vereenvoudiging in plaats van volledige afschaffing. De uitvoeringslasten kunnen bijvoorbeeld gericht worden verminderd door vereenvoudiging van documentatievoorwaarden, bewijslast en onderzoeksverplichtingen.
De technische briefing EU-wetenschapstoets Omnibus directe belastingen vond plaats op 29 oktober 2026 in de Tweede Kamer.
Bron: Tweede Kamer
Informatiesoort: Nieuws
Rubriek: Europees belastingrecht