Een gevoegde dochtermaatschappij van het Franse OPmobility (OPM) houdt een belang in het Belgische Plastic Omnium Auto NV (POA). POA wordt in 2015 geliquideerd en OPM wil de verliezen van POA in Frankrijk in aanmerking nemen. OPM beroept zich daarbij op de Marks & Spencer-jurisprudentie en stelt daarbij dat POA, indien zij in Frankrijk gevestigd was geweest, aan alle voorwaarden had kunnen voldoen om te worden opgenomen in de door OPM gevormde fiscale eenheid.
Een gevoegde dochtermaatschappij van het Franse Société Générale houdt belangen in het Slowaakse Essox en het Letse Inserviss Group (IG). Beide vennootschappen worden in 2013 geliquideerd. Société Générale wil de verliezen van Essox en IG in Frankrijk in aanmerking nemen. Société Générale beroept zich daarbij op de Marks & Spencer-jurisprudentie en stelt daarbij dat Essox en IG aan alle voorwaarden voor het lidmaatschap van de door SG gevormde fiscale eenheid voldoen, met uitzondering van de voorwaarde dat zij zijn onderworpen aan de Franse VPB.
De Franse rechter heeft prejudiciële vragen in beide zaken gesteld die het Marks & Spencer-arrest fundamenteel ter discussie stellen.
Advocaat-generaal Kokott concludeert dat de situatie van een Franse moedermaatschappij die de verliezen van haar Franse dochter in aanmerking wil nemen niet vergelijkbaar is met die van OPmobility en Société Générale, wanneer Frankrijk de resultaten van de buitenlandse dochters niet belast. De A-G gaat vervolgens nog in op de situatie wanneer het Hof van Justitie oordeelt dat er wel sprake is van objectieve vergelijkbaarheid. In dat geval is er volgens de A-G sprake van verenigbaarheid met de vrijheid van vestiging.
Wetingang:
Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie artikel 49
Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie artikel 54
Instantie: Hof van Justitie van de Europese Unie
Rubriek: Vennootschapsbelasting, Europees belastingrecht
Editie: 27 oktober
Informatiesoort: VN Vandaag