X BV is onderdeel van een groep BV's die software ontwikkelt. De belastingadviseur van X BV is aangesloten bij het convenant Leidraad Horizontaal Toezicht Fiscaal Dienstverleners van de Belastingdienst. In 2016/2017 vindt een reorganisatie van de groep plaats, waarbij X BV is geliquideerd. Ondanks dat het vooroverleg over het te claimen liquidatieverlies nog gaande is, wordt de aangifte van X BV over 2017 ingediend zonder rekening te houden met de goodwill en het aankruisen van het vakje ‘expliciete uitspraak Belastingdienst gevraagd’. De inspecteur legt een navorderingsaanslag op, ook over de goodwill. Volgens Rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft de inspecteur een nieuw feit en is de navorderingsaanslag terecht opgelegd. X BV moet dus afrekenen over haar goodwill. X BV gaat in hoger beroep.
Hof 's-Hertogenbosch oordeelt dat sprake is van een nieuw feit. De inspecteur maakt de door hem verdedigde waarde van de goodwill aannemelijk door aan te sluiten bij berekeningen binnen de groep ter zake van aandelentransacties tussen onafhankelijke partijen. De waarde van de aandelen en het ‘eigen vermogen’ bepaalt de waarde van de goodwill en de (latente) VPB-schuld. Het was duidelijk dat de betreffende BV's waarvan de aandelen werden gekocht of verkocht zouden worden geliquideerd, zodat de VPB-schuld terecht op de nominale waarde is gesteld. Het beroep is uitsluitend gegrond, omdat de belastingrente moet worden verminderd (zie HR 16 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:59, V-N 2026/5.21). Voor de periode van 26 april 2018 tot en met 22 juni 2020 is deze 4%. Van 23 juni 2020 tot 1 oktober 2020 0,01% en daarna weer 4%.
Wetingang:
Wet op de vennootschapsbelasting 1969 artikel 8
Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 16
Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 27E
Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 30HB
Instantie: Hof 's-Hertogenbosch
Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht, Vennootschapsbelasting, Inkomstenbelasting
Editie: 20 oktober
Informatiesoort: VN Vandaag