X BV ontvangt in maart 2019 een uitnodiging tot het doen van aangifte VPB 2018. De accountant van X BV vraagt op 27 maart 2019 via de beconregeling vijf maanden uitstel aan, welk uitstel wordt verleend. X BV ondertekent de opdrachtbevestiging aan de accountant voor de hieromtrent te verrichten werkzaamheden pas op 11 oktober 2019. Deze opdrachtbevestiging vermeldt onder meer de opname in de uitstelregeling expliciet als fiscale werkzaamheid. Na herinnering en aanmaning dient de accountant de aangifte op 21 januari 2020 in. Vervolgens legt de inspecteur de aanslag op 21 mei 2022 op. X BV stelt in bezwaar dat de accountant niet gemachtigd is tot het aanvragen van het uitstel. In geschil is of de aanslag VPB 2018 tijdig is vastgesteld nu de accountant het uitstel vóór ondertekening van de opdrachtbevestiging aanvraagt.
Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat X BV met de opdrachtbevestiging van 11 oktober 2019 het eerder door de accountant aangevraagde uitstel bekrachtigt. De opdrachtbevestiging vermeldt daarbij de opname in de uitstelregeling expliciet als fiscale werkzaamheid. Bovendien informeert X BV de inspecteur na herinnering en aanmaning niet dat de accountant het uitstel niet rechtsgeldig aanvraagt en stelt zij dit pas in bezwaar aan de kaak. De aanslagtermijn verlengt daardoor met vijf maanden tot 31 mei 2022, waardoor de inspecteur de aanslag met dagtekening 21 mei 2022 tijdig oplegt. Het hof verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep tegen de aanslag vennootschapsbelasting voor het jaar 2018 ongegrond.
Wetingang:
Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 11
Burgerlijk Wetboek Boek 3 artikel 69
Burgerlijk Wetboek Boek 3 artikel 79
Instantie: Hof Arnhem-Leeuwarden
Rubriek: Inkomstenbelasting, Fiscaal bestuurs(proces)recht
Editie: 20 oktober
Informatiesoort: VN Vandaag