X houdt de aandelen in Y BV en heeft een rekening-courantschuld aan de BV. Op het IB-aanslagbiljet 2016, dat is gedagtekend op 2 mei 2020, staat dat het ab-verlies uit 2007 van € 334.644 niet meer verrekenbaar is door het verstrijken van de 9-jaarstermijn. Het biljet vermeldt dat nog € 1,4 mln. aan ab-verlies kan worden verrekend. Hierna worden herziene IB-aangiften 2016 t/m 2019 ingediend met een regulier ab-voordeel. Dit voordeel wordt telkens verrekend met de ab-verliezen. Naar aanleiding van een boekenonderzoek stelt de inspecteur dat de uitdelingen pas in 2020 zijn afgeboekt op de rc-vordering van de BV op X en dat de notulen van het besluit van de AvA zijn opgemaakt in 2020. Hij gaat er daarom vanuit dat X in 2020 een winstuitdeling van € 1,7 mln. heeft genoten. X stelt dat de uitdeling in 2019 is genoten.
Hof Den Haag oordeelt dat X de winstuitdeling van € 1,7 mln. in 2020 heeft genoten. Uit de AVA-notulen van 24 juli 2020 volgt dat op die datum tot uitkering is besloten en dat het bestuur dat besluit heeft goedgekeurd. Het hof merkt op dat uit de gedingstukken het beeld ontstaat dat X zich pas na ontvangst van de IB-aanslag 2016 van 2 mei 2020 realiseerde dat de negenjaarstermijn voor verrekening van de ab-verliezen inmiddels was verstreken en dat met terugwerkende kracht heeft gepoogd te herstellen. Dat zich in de loop van de jaren 2016 - 2019 al een genietingsmoment zou hebben voorgedaan, acht het hof daarom niet aannemelijk. Zowel in de notulen met betrekking tot die jaren als in de vóór 2020 ingediende IB-aangiften wordt namelijk geen melding van enige winstuitdeling gemaakt. De IB-aanslag 2020 blijft in stand.
Wetingang:
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 4.13
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 4.43