Op 5 oktober 2023 sluit X BV met een glastuinbouwbedrijfeen koopovereenkomst voor de koop van twee percelen. X BV is voornemens om op de percelen een distributiecentrum te bouwen. In de koopovereenkomst komen partijen overeen dat het glastuinbouwbedrijf een bouwterrein zal leveren. Het glastuinbouwbedrijf zal daarbij voor zijn rekening en risico van de aanwezige opstallen verwijderen en afvoeren. Daarnaast is in een addendum bij de koopovereenkomst geregeld dat X BV de optie heeft om tot uiterlijk 31 december 2025 aan te geven dat de feitelijke oplevering niet als bouwterrein maar met de huidige opstallen, installaties en verhardingen moet plaatsvinden. De levering van de percelen vindt plaats op 18 december 2023. Op dat moment zijn de percelen nog bebouwd met kassen en in gebruik bij het glastuinbouwbedrijf. In de akte van levering is de hiervoor genoemde optie niet opgenomen, maar daarin is ook niet uitdrukkelijk afstand gedaan van de optie. Vanaf 18 december 2023 tot eind augustus 2025 maakt X nog gebruik van de percelen. In geschil is of de levering van de percelen kwalificeert als de levering van een bouwterrein en, zo ja, of dan de samenloopvrijstelling overdrachtsbelasting van toepassing is.
Rechtbank Den Haag oordeelt dat aan X BV geen bouwterrein is geleverd, omdat de percelen ten tijde van de levering bebouwd waren en partijen een voorwaardelijke sloopverplichting zijn overeengekomen. De samenloopvrijstelling overdrachtsbelasting is niet van toepassing. De inspecteur is terecht overgegaan tot naheffing van overdrachtsbelasting. Het beroep van X BV is ongegrond.
Wetingang:
Wet op belastingen van rechtsverkeer artikel 2
Wet op belastingen van rechtsverkeer artikel 15
Instantie: Rechtbank Den Haag
Rubriek: Omzetbelasting, Belastingen van rechtsverkeer
Editie: 4 november
Informatiesoort: VN Vandaag