Een parkeercontroleur constateert dat de auto van X stilstaat op een parkeerplaats zonder dat er parkeerbelasting is betaald. De heffingsambtenaar legt een naheffingsaanslag op van € 79,75, bestaande uit € 3,05 parkeerbelasting en € 76,70 kosten. X koopt zes minuten later een parkeerticket. X maakt bezwaar en stelt vervolgens beroep in, waarbij hij onder meer de hoogte van de kosten bestrijdt. De gemeente raamt de totale kosten op € 1.211.815 bij 7500 verwachte naheffingsaanslagen (€ 163 per naheffingsaanslag). Uiteindelijk legt de gemeente 8733 naheffingsaanslagen op, waardoor de kosten per naheffing op € 140 uitkomen.
In geschil is of de kosten van de naheffingsaanslag parkeerbelasting voldoende inzichtelijk zijn en niet te hoog zijn vastgesteld.
Rechtbank Noord-Holland oordeelt, met toepassing van het toetsingskader uit het arrest van de Hoge Raad van 23 januari 2026 (ECLI:NL:HR:2026:24, V-N 2026/6.24), dat de heffingsambtenaar de kostenraming voldoende inzichtelijk heeft gemaakt. De loonkosten handhaving, de licentiekosten voor het systeem integrale handhaving en kentekencontrole en de overheadkosten hangen alle meer dan zijdelings samen met de inning van niet-betaalde parkeerbelasting. De heffingsambtenaar maakt aannemelijk dat de kosten per naheffingsaanslag zowel op basis van de raming als de realisatie ruim boven het wettelijk maximum van € 76,70 liggen. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Wetingang:
Instantie: Rechtbank Noord-Holland
Rubriek: Belastingen van lagere overheden, Fiscaal bestuurs(proces)recht
Editie: 5 november
Informatiesoort: VN Vandaag