Wie dacht dat het Belastingplan op Prinsjesdag wordt gepresenteerd om vervolgens door de Tweede en Eerste Kamer te worden behandeld, moet dit jaar misschien zijn verwachtingen bijstellen.
Staatssecretaris Eerenberg van Financiën heeft tijdens de behandeling van het Belastingplan 2027 aangekondigd dat hij met een aangepaste versie komt. Daarin moet worden verwerkt wat het kabinet uit de onderhandelingen met oppositiepartijen heeft opgehaald en wat volgens het kabinet moet worden aangepast.
De aangepaste versie van het Belastingplan 2027 leidde tot verbazing en irritatie in de Tweede Kamer. Het Belastingplan 2027 is op 15 september ingediend en de parlementaire behandeling is volop gaande. Ondertussen onderhandelt het kabinet met oppositiepartijen over aanpassingen van datzelfde pakket. Op grote vragen, zoals over box 3 en wat nodig is voor voldoende steun, kan de staatssecretaris geen antwoord geven, omdat de gesprekken lopen. Daar komt bij dat de Tweede Kamer op 12 november over het Belastingplan moet stemmen. De ruimte om een aangepast voorstel grondig te bestuderen en te behandelen is daarmee beperkt.
Op zichzelf is het allerminst bijzonder dat een Belastingplan na Prinsjesdag verandert. De regering kan nota’s van wijziging indienen en de Tweede Kamer kan het wetsvoorstel amenderen. Ook eerdere belastingplannen veranderden tijdens de parlementaire behandeling soms flink. Bij het Belastingplan 2023 kwam het zelfs tot een vijfde nota van wijziging.
Het opmerkelijke zit ditmaal vooral in de combinatie van timing en politieke context. De Kamer behandelt een wetsvoorstel, terwijl de staatssecretaris tegelijkertijd aankondigt dat het kabinet op basis van nog lopende onderhandelingen een aangepaste versie zal presenteren.
Dat creëert een politiek pressurecookereffect. Hoe later overeenstemming wordt bereikt, des te minder tijd resteert om de fiscale uitwerking te beoordelen, uitvoeringseffecten te wegen en de samenhang met andere maatregelen te doorgronden. Kamerleden moeten vervolgens ook nog eventuele nieuw ingediende amendementen beoordelen.
Dat snel ingrijpen in fiscale wetgeving tot een korte houdbaarheid kan leiden, laat de recente geschiedenis van de 30%-regeling zien. Via een amendement op het Belastingplan 2024 werd gekozen voor een afbouw van de onbelaste vergoeding van 30% naar 20% en uiteindelijk 10%. Die versobering werd bij het Belastingplan 2025 alweer grotendeels teruggedraaid, nadat zij slechts één jaar had gegolden. De 30/20/10-systematiek verdween en maakte plaats voor een constant forfait.
Dat bewijst niet dat tijdsdruk op de fiscale besluitvorming per definitie slechte wetgeving oplevert. Maar het onderstreept wel waarom zorgvuldigheid, juist bij het jaarlijkse Belastingplan, geboden is. Wat in de politieke pressurecooker wordt afgesproken, moet immers binnen korte tijd worden vertaald in wetgeving die uitvoerbaar, effectief, consistent en juridisch houdbaar is. Om nog maar te zwijgen over de geambieerde vereenvoudiging van het belastingstelsel en vermindering van de regeldruk.
En wat als 12 november dan toch te vroeg blijkt? Dan kan de stemming worden uitgesteld. Het Belastingplan kent geen magische houdbaarheidsdatum op 12 november. Wel schuift de tijdsdruk dan verder door naar de Eerste Kamer en de uitvoering. Daarmee wordt de keuze uiteindelijk ongemakkelijk eenvoudig: vasthouden aan de fiscale kalender of voldoende tijd nemen voor zorgvuldige wetgeving. In een pressurecooker kan veel worden klaargemaakt, maar de vraag is of fiscale wetgeving daarbij gebaat is.