X verzoekt om kwijtschelding van een aanslag gemeentelijke belastingen 2025. De invorderingsambtenaar wijst dit verzoek af wegens voldoende betalingscapaciteit. Daardoor vervalt ook het verleende uitstel van betaling. X stelt vervolgens administratief beroep in, waarbij opnieuw uitstel van betaling wordt verleend. Bij brief van 20 mei 2025 wijst de invorderingsambtenaar het kwijtscheldingsverzoek opnieuw af, deelt hij mee dat het uitstel van betaling is vervallen en verzoekt hij X het openstaande bedrag te voldoen. Omdat betaling binnen de gestelde termijn uitblijft, brengt de invorderingsambtenaar aanmaningskosten in rekening. In geschil is of deze aanmaningskosten terecht zijn opgelegd.
Rechtbank Den Haag oordeelt dat de invorderingsambtenaar terecht aanmaningskosten in rekening heeft gebracht, omdat uit de brief over de afwijzing van het kwijtscheldingsverzoek duidelijk en ondubbelzinnig blijkt dat het uitstel van betaling is vervallen. Dat de beroepsprocedure inzake kwijtschelding eventueel nog in behandeling is, doet hieraan niet af. Nu X op het moment van de aanmaning niet betaalt en er geen sprake is van verleend uitstel of een betalingsregeling, maant de invorderingsambtenaar rechtmatig aan. De belastingrechter is verder niet bevoegd te oordelen in geschillen ten aanzien van beschikkingen inzake kwijtschelding en ook niet ten aanzien van het eventuele uitblijven van een beslissing op een kwijtscheldingsverzoek. X’ beroep is ongegrond.
Wetingang:
Invorderingswet 1990 artikel 11
Invorderingswet 1990 artikel 26
Algemene wet bestuursrecht artikel 8.5
Instantie: Rechtbank Den Haag
Rubriek: Invordering, Fiscaal bestuurs(proces)recht
Editie: 23 september
Informatiesoort: VN Vandaag