De Hoge Raad oordeelt dat de inspecteur niet beschikt over een nieuw feit. Hij verwerpt het standpunt van de staatssecretaris dat de inspecteur, ook bij normale zorgvuldige kennisneming van aangiften voor voorgaande jaren, in redelijkheid niet aan de juistheid van de aangiften 2017-2019 hoefde te twijfelen.

X en zijn vrouw wonen in Duitsland en genieten een AOW-uitkering. X geniet daarnaast ook nog een ouderdomspensioen van A, dat volledig is gebaseerd op de vervulling van een publiekrechtelijke dienstbetrekking bij de Nederlandse overheid. Duitsland is heffingsbevoegd ten aanzien van de AOW-uitkeringen en Nederland ten aanzien van het A-pensioen. X geeft in zijn IB-aangiften 2017-2019 de AOW-uitkeringen en het pensioen aan als in Nederland belastbaar. Hij claimt dat hij kwalificerend buitenlandse belastingplichtige is en daarom recht heeft op aftrek voor de eigen woning, de zorgkosten en de heffingskortingen. De inspecteur volgt de aangifte. In 2022 deelt de inspecteur aan X mee dat hij geen kwalificerende buitenlandse belastingplichtige is. Nu Duitsland bevoegd is belasting te heffen over de AOW, is het totale inkomen van X en zijn vrouw niet nagenoeg geheel in Nederland belast. De inspecteur legt daarom navorderingsaanslagen IB op aan X. Hof 's-Hertogenbosch oordeelt dat de inspecteur niet kan navorderen. De staatssecretaris gaat in cassatie.

De Hoge Raad oordeelt dat de inspecteur niet beschikt over het voor navordering vereiste nieuwe feit. De Hoge Raad verwerpt het standpunt van de staatssecretaris dat de inspecteur, ook bij normale, zorgvuldige kennisneming van aangiften voor voorgaande jaren, zoals die voor het jaar 2015, in redelijkheid niet aan de juistheid van de aangiften 2017-2019 hoefde te twijfelen. Volgens de Hoge Raad geeft het oordeel van het hof geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. De inspecteur heeft uit de IB-aanslag 2015 namelijk kunnen afleiden dat het A-pensioen een publiekrechtelijk pensioen betreft. De Hoge Raad overweegt vervolgens dat de staatssecretaris weliswaar gelijk heeft dat de regeling van art. 16 lid 2 onderdeel c AWR is ingevoerd om navordering mogelijk te maken ter correctie van fouten die een gevolg zijn van de geautomatiseerde werkwijze van de Belastingdienst, maar dat dit niet tot cassatie kan leiden. Als de aan X voor de jaren 2017-2019 opgelegde IB-aanslagen al onjuist waren, vormde dit op de tijdstippen waarop X de aanslagbiljetten ontving namelijk geen redelijkerwijs kenbare fout als bedoeld in art. 16 lid 2 onderdeel c AWR. Het beroep in cassatie van de staatssecretaris is ongegrond.

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 6

Instantie: Hoge Raad

Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht

Editie: 9 november

Informatiesoort: VN Vandaag

20

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen