Hof Amsterdam oordeelt dat de inspecteur met verzendrapporten zowel de tijdige bekendmaking van de aanslag IB/PVV 2019 als de ontvangst van de aanmaning voor de aangifte IB/PVV 2022 aannemelijk heeft gemaakt. De late betwisting door X ondermijnt diens geloofwaardigheid.

De inspecteur legt X een aanslag IB/PVV 2019 op met dagtekening 23 december 2022, na bezwaar verminderd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 68.374. Voor het jaar 2022 nodigt de inspecteur X uit tot het doen van aangifte en verleent uitstel tot 1 september 2023. Na een herinnering en een aanmaning met uiterste reactiedatum 6 november 2023 dient X geen aangifte in. De inspecteur stelt ambtshalve de aanslag IB/PVV 2022 vast naar een belastbaar inkomen van € 160.626 met een verzuimboete van € 385. X stelt beroep en vervolgens hoger beroep in. In geschil is of de aanslag IB/PVV 2019 tijdig is bekendgemaakt en of de aanslag IB/PVV 2022 met verzuimboete terecht is opgelegd, mede gelet op de betwiste ontvangst van de aanmaning.

Hof Amsterdam oordeelt dat het verzendrapport een coherente tijdlijn toont en de tijdige bekendmaking van de aanslag IB/PVV 2019 op 15 december 2022 aannemelijk maakt. De wisselende verklaringen van X over de ontvangst ondermijnen diens geloofwaardigheid. Het hof acht de verzending van de aanmaning IB/PVV 2022 buiten redelijke twijfel bewezen, mede omdat X de ontvangst pas zeer laat in de procedure heeft betwist. De bewijslast keert terecht om en de schatting van het inkomen is redelijk. Het hof acht de verzuimboete passend en geboden en bevestigt de uitspraak van Rechtbank Noord-Holland.

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 9

Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 25

Invorderingswet 1990 artikel 8

Instantie: Hof Amsterdam

Rubriek: Invordering, Fiscaal bestuurs(proces)recht

Editie: 6 november

Informatiesoort: VN Vandaag

8

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen