X is eigenaar van een woning in de gemeente Sluis zonder daar zijn hoofdverblijf te hebben. De heffingsambtenaar legt X een aanslag forensenbelasting 2024 op. Het forensenbelastingtarief bedraagt zowel in 2023 als in 2024 5 promille van de heffingsmaatstaf, met een minimumbedrag van € 500. Het maximumbedrag stijgt van € 3500 in 2023 naar € 5000 in 2024. X stelt dat de gemeente bij de forse tariefverhogingen in de periode 2020 tot en met 2024 onvoldoende rekening houdt met de belangen van eigenaren van recreatiewoningen en verzoekt de Verordening onverbindend te verklaren.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat uitsluitend de aanslag forensenbelasting 2024 ter beoordeling voorligt. De tariefstelling uit eerdere belastingjaren wordt daarom niet beoordeeld. Nu het tarief voor 2024 ten opzichte van 2023 niet is verhoogd, ziet de rechtbank geen aanleiding te oordelen dat de gerechtvaardigde belangen van X niet zijn meegewogen. Van schending van het evenredigheidsbeginsel is geen sprake. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt evenmin, omdat forensenbelasting, toeristenbelasting en onroerendezaakbelasting op verschillende belastbare feiten zien en dus geen gelijke gevallen vormen. Het beroep is ongegrond.
Wetingang:
Instantie: Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Rubriek: Belastingen van lagere overheden, Fiscaal bestuurs(proces)recht
Editie: 5 november
Informatiesoort: VN Vandaag